Zondag 20 november 2022, Protestantse Gemeente Voorhout

Preek naar aanleiding van Job 19:23-27a en Marcus 13:28-37 uit de Naardense Bijbel voor de Gedachteniszondag op 20 november 2022 om 10.00 uur in De Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente Voorhout

Gemeente,

De vertolker van het Marcusevangelie was erg jong toen hij al doortrokken was van een doodsbesef. Aan een bewustzijn van de dood ontleende hij ook zijn gedachten over de opstanding. Die opstanding is hemels. ‘Marcus’ liep vaak langs de straten van de pijn, door het woud van de eenzaamheid, vertoefde op de wegen van het lijden. De mensen die hij tegenkwam nam hij nauwkeurig waar, hij las hen aandachtig als waren zij boeken. In de rimpels van hun huid zag hij de verscheurdheid van hun wezen en hoopte dat zij in het paradijs eeuwig zouden leven; dat uitgerekend hen een ereplaats was toebedeeld door te zitten aan de rechterzijde van Christus. ’s Nachts lag hij uren wakker, tobde heel wat af, hoorde roepen in het duister door armzaligen van kracht.

De evangelist heeft Jezus niet gekend, behoorde tijdens het leven van Jezus niet tot diens kennissenkring. Maar via verhalen, overleveringen en zijn fantasie was deze figuur wel voor hem gaan leven en hij volgt daarin de voorstellingswereld van de eerste eeuw. ‘Marcus’ kon het niet laten Jezus op te hemelen, hem te verheerlijken. Als een persoon of ‘de werkelijkheid’ niet terugpraat, vindt vaak romantisering plaats. Marcus’ beeld van Jezus werd niet bijgestuurd, gecorrigeerd. Voor hem was Jezus een hemelse verschijning, een geestelijk lichaam dat zomaar ergens kon opduiken, een model waar hij zich aan optrok.

Zoals je nauw aan iemands borst of voeten kunt liggen die je liefhebt, zo trokken de apostelen van Jezus met hem op, liepen college in Galilea en Judea, volgden zijn aanwijzingen op en waren ooggetuige geweest van zijn lijden en sterven. De auteur van het Marcusevangelie was geen tijdgenoot van Jezus. De evangelistengroep waar hij deel van uitmaakt, moest het hebben van horen zeggen en Marcus ging hierin eigen wegen. De figuur van Jezus was Marcus’ onzichtbare referentiepunt, dat zijn begrip van de eindigheid liet verankeren in de oneindigheid. Als Marcus Jezus zag en met hem sprak dan gebeurde dat in zijn geest. Zijn belangstelling ging niet zozeer naar de historische Jezus uit, al vormde die wel de springplank voor zijn hemelse wandelingen met Jezus.

Hij onderhield vanuit zijn historische leven een ahistorische relatie met Jezus, die zijn oorsprong vond in God. Die oorsprong maakte dat de betekenis van Jezus voor hem veel meer was gelegen in hoe hij Jezus na diens dood nu dagelijks ervoer. Terwijl niemand het in de gaten had, stond Marcus dagelijks met Jezus op en ging met hem naar bed. Het was een zijnswijze die zich binnen een niet-aanschouwelijk gebeuren kon voltrekken.

Ik vermoed dat nabestaanden in de beleving van Marcus kunnen meekomen. Want ook als een partner, familielid, vriend(in) is overleden, blijft een nabestaande zich tot de overledene verhouden. De dialoog gaat door, die ander blijft aanwezig in ‘zelfgesprekken’, waarin de overledene zich verrassend nieuw kan openbaren. Het moment waarop de overledene zich aandient is niet te voorspellen, die ander is er niet op afroep. Je staat ergens, je draait je om en plotsklaps ‘staat’ de ander daar als levensecht.

Het Marcusevangelie is een proeve van een relatie tussen een aanschouwelijk mens tot een niet-aanschouwelijk mens. Het evangelie leest als een roman, waarin de tijdelijkheid van de mens wordt vereeuwigd. Het goede nieuws is dat die vereeuwiging een geruststelling kan betekenen. ‘Marcus’ rustte in Gods persoonlijkheid. Nu hij in God was en leefde, hoefde hij niet terug te blikken en herinneringen op te halen aan de overledene. Marcus hoefde na Jezus’ dood niet een heel ander leven te gaan leiden, met nieuwe rituelen, overtuigingen en activiteiten. Hij erfde Jezus en stond op vertrouwde voet met hem als was hij een oude bekende.

In de cognitieve ervaring van Jezus’ aanwezigheid was het voor Marcus bijna onmogelijk existentieel te treuren. Hij ging als auteur en prediker zelfstandig te werk en gedijde goed in zijn verhouding tot een niet-zintuiglijk waarneembare realiteit. De gedachte aan de dood maakte hem niet zwaarmoedig en creëerde voor hem niet een gapende leegte of een pijnlijk gemis. Hij kon luchtig over de dood doen, zag er de nietigheid van in, voer er een toneelstuk over op als in hoofdstuk dertien vers achtentwintig tot zevenendertig, en kon er met humor over vertellen.

De bedoeling van zijn opvoering is niet apocalyptisch van aard. Alsof een mens aan de kosmos een einde der tijden zou kunnen aflezen. Marcus daagt de lezer(es) uit, waarschuwt in een geanimeerde stemming, omdat hij de mens die ten dode toe bedroefd is, wil bemoedigen en wil wenken naar de plaats vanwaaruit hij naar de dood kijkt.

Leefde Marcus in de wereld die draaide om de notie van tijd, richtte hij zich op de dingen en op de mens, zoals die zich aan hem voordeed, dan ervoer hij een enorme afstand van God. En als ‘Marcus’ mijlenver bij God vandaan was, dan zag hij nergens de zin van in. De wereld werd klein en het beslissende bleef uit. Was hij ‘in God’, dan werd al het aanschouwelijke, de psychologie en de fysica tot stof en as. Hij had de gedachte aan God als tegenpool nodig om de invloed van het materiële te beperken.

De aantekeningen van de apostelen die hij overgeleverd had gekregen, hadden hem al schrijvend in staat gesteld van een dode een levende te maken. Hij had ze minutieus gelezen, er verhalen van gemaakt, gaten opgevuld, zijn schrijverschap was een passie geworden. Ongemerkt was hij in zijn levenswerk verzopen en het had van een jongeman die niet wist wat hij met zijn leven wilde een heel bepaald soort nieuwe mens gemaakt. Want telkens wanneer hij zich in de geest tegenover Christus plaatste, dan verscheen hij op een manier zoals hij voorheen voor zichzelf niet verscheen. Ongelofelijk! In de ontmoeting kwam hij anders tegenover zichzelf te staan. Zijn beeld van Jezus fungeerde als een spiegelbeeld, waardoor hij inzag dat hij niet samenviel met zichzelf. De openbaring en aanschouwing van de overledene, dat betekende een opwekking uit de doden. De enige malen waarop Christus echt stierf en ‘Marcus’ met hem was, was wanneer hij níet geloofde, want dan zag hij niets meer. In zo’n staat zweeg hij niet, aanbad niet en hield hij geen halt bij de tekenen des tijds. In de aanwezigheid van de zoemende bij zag hij niet langer een fenomenologie van het voorjaar.

Marcus wil de lezer(es) bepalen bij het heden en zowel het verleden als de toekomst daarin laten rusten. Wanneer die drie verschillende tijdsdimensies bij elkaar komen en als een geheel worden beschouwd, dan kan een mens eeuwigheid hier en nu ervaren – al is die ervaring zelf van korte duur. Marcus symboliseert dat ogenblik bloemrijk met de korte tijd tussen het bloeien van de vijgenboom en het uitbotten van het blad. Het is een bloeiperiode die ongeveer een maand in beslag neemt. Mocht u ooit zelf eens een gewas geplant, gepoot of gezaaid hebben, dan herkent u wellicht het opgewonden gevoel waarmee je het eerste opschietende kruid of de vruchten van een plant of boom kunt verwachten.

Zoals een moeder op het schoolplein haar kind kan opwachten en het liefdevol omhelst, zo stond Marcus dagelijks op wacht tot de overledene aan hem zou verschijnen. Niet als een illusie, een droom of hallucinatie, maar als het object van zijn hoop. In die omgang met de dood schuilt een bevrijdend effect, omdat de dood een te openen luik, een venster is niet naar een andere wereld, maar naar een andere omgang met de geliefde, dan toen zij of hij nog leefde. Wie de dood als een drempelmoment opvat waarna het leven met de persoon die je tijdens je leven hebt uitverkoren en aanbeden doorgaat, kan het zichzelf makkelijker maken de dood te aanvaarden, dan wie de dood ziet als de laatste deur waar een mens doorgaat. De breuk tussen jou en de ander wordt erdoor hersteld. Het gezamenlijk leven gaat op een ongewone manier verder. In deze interpretatie is de dood van een gestorvene niet het hele verhaal, en je hoeft er geen visionaire figuur, mysticus of evangelist voor te zijn om haar te accepteren. Het enige dat je ervoor nodig hebt is voorstellingsvermogen en een verhaal.

Amen